Er was eens een banaan
die was helemaal recht.
Hij werd op een schaaltje met vruchten gelegd.
Hij keek al de vruchten vriendelijk aan en sprak toen:
“goeiemiddag”, mijn naam is banaan.
Het appeltje zei: “een banaan”, kom, kom.
u maakt ons wat wijs hoor, bananen zijn krom.
De kasdruiven riepen: wij zijn niet dom.
vertel ons geen leugens, bananen zijn krom.
De peer snoof: wat zegt u? daar schater ik om.
U kunt wel goed jokken, bananen zijn krom.
Ach, zei de banaan. ik ben werkelijk echt.
Een enkele keer is mijn soort wel eens recht.
Maar niemand geloofde de arme banaan.
Zo lag hij daar dagen, bedroefd en ontdaan.
Toen kwam in dat huis een meneer op bezoek.
Die had een geweldige scheur in zijn broek.
Hij kwam langs de fruitschaal en draaide zich om.
( een gedicht die ik geleerd heb van de leerlingen uit 3A )
Wat een schattige banaan. Ik lig krom van het lachen.
BeantwoordenVerwijderen